REGIO – Er was een tijd dat je niet hoefde te vragen of het WK eraan kwam. Dat zag je gewoon. De eerste vlag verscheen ergens in de straat en voor je het wist was half het dorp veranderd in een vrolijke explosie van oranje enthousiasme.
Auto’s reden rond met vlaggetjes alsof ze onderdeel waren van een officiële karavaan. Huizen kregen een oranje make-over die volgens de regels van goede smaak misschien niet helemaal verantwoord was, maar waar niemand zich druk om maakte. En ergens liep altijd iemand rond met een oranje hoed, bril, pruik of complete outfit waarvan je je afvroeg of die ooit nog uit zou gaan.
Maar waar is dat gevoel gebleven?
Als ik tegenwoordig door onze dorpen rij, moet ik soms goed kijken om te ontdekken dat er überhaupt een groot voetbaltoernooi bezig is. Hier en daar wappert een vlag. Een enkele voortuin doet nog fanatiek mee. Maar de uitbundige oranje koorts van vroeger lijkt een beetje in quarantaine te zijn gegaan.
Zelfs onze winkelstraten lijken tegenwoordig meer op een gewone woensdagmiddag dan op een periode waarin Nederland gezamenlijk achter Oranje staat. Alsof we met elkaar hebben besloten dat enthousiasme best leuk is, maar vooral niet te zichtbaar moet worden.
Misschien zijn we gewoon wat voorzichtiger geworden.
Misschien vinden we het allemaal een beetje overdreven.
Of misschien wachten we stiekem op elkaar.
Want dat is vaak hoe het gaat in een dorp. Niemand wil de eerste zijn die zijn huis verandert in een oranje monument. Maar zodra er ergens drie vlaggen verschijnen, volgt de rest vanzelf. Dan blijkt ineens dat er nog ergens een doos op zolder staat met vlaggetjes, slingers en andere spullen die al jaren wachten op hun rentree.
En waar zijn eigenlijk die avonden gebleven waarop een heel dorp zich verzamelde rond een groot scherm? Op een plein, in de kroeg of ergens tussen de tuinstoelen in een straat waar iedereen plotseling bondscoach was. De snackbar had topdrukte, de drankjes waren koud en de meningen waren zoals altijd gratis verkrijgbaar.
En eerlijk gezegd zou dat best weer eens mogen.
Niet omdat voetbal het belangrijkste is in het leven. Dat is het natuurlijk niet. Maar omdat het juist gaat om de sfeer eromheen. Het praatje bij de supermarkt. Het samen kijken. Het samen juichen. Of samen mopperen op de bondscoach, wat misschien nog wel de meest Nederlandse traditie van allemaal is.
In een tijd waarin we vooral druk zijn met alles wat niet goed gaat, zou een beetje ouderwetse oranjegekte misschien helemaal niet zo’n slecht idee zijn.
Geen verplichting.
Geen wedstrijd wie de grootste vlag heeft.
Gewoon een beetje plezier.
Een beetje dorpsgevoel.
Een beetje saamhorigheid.
En misschien ook een beetje lef.
Want eerlijk is eerlijk: het zou toch prachtig zijn als we de komende weken ineens weer wat meer oranje zien verschijnen in onze dorpen? Een vlag aan een gevel. Een versierde straat. Een paar fanatieke buren die besluiten dat gezelligheid best weer eens zichtbaar mag zijn.
Misschien zijn we de oranje koorts niet kwijtgeraakt.
Misschien ligt die gewoon ergens op zolder.
Te wachten tot iemand besluit de doos weer open te maken.
Alma Veritas
(kritisch met een knipoog?)








